Zeven regels van het Europese sprookje

Heb jij ook iets met sprookjes? De herinneringen aan de verhalen die je als kind voorgelezen werden en waar je helemaal in wegzonk? Misschien droomde je wel  over de gevaren die er altijd in opdoken...Zaterdag 7 juli 2018...dan is het weer de Dag van het Sprookje! Hoe mooi zou het zijn om je eigen sprookje te schrijven? Om dat met iemand anders, of misschien nog beter: hier te delen? Gewoon je fantasie laten gaan en beginnen.
En dan hoor ik je al vragen "Maar hoe schrijf ik dan een sprookje?" Graag geef ik je hiervoor houvast! Met de zeven regels van het Europese sprookje.

1. Het sprookje speelt in het verleden.
Er was eens…
Het sprookje speelt zich af in een wondere wereld
van vóór de industriële revolutie.
In een wereld waar je, naast allerlei sprookjesfiguren, ook prinsessen en koningen, prinsen, kastelen en paleizen ontmoet.
Wannéér het sprookje zich precies afspeelt is niet duidelijk.
Vandaar dat sprookjes meestal beginnen met: Er was eens....
 
2. Het sprookje begint altijd met een bepaalde situatie.
Er was eens een geit die zeven geitjes had…
Er was eens een vrouw die twee dochters had.
De één was mooi en ijverig, de andere lelijk en lui.
 
3. Deze situatie verandert door een probleem, een uitdaging, een wens, of door een onverwachte gebeurtenis.
In het sprookje van de Chinese Nachtegaal
hoort de keizer opeens over de nachtegaal die in zijn tuin zingt.
 
En de drie broers uit Tafeltje Dek je, Ezeltje Strek je, Knuppel uit de Zak
besluiten een vak te gaan leren.
Hans en Grietje, twee kinderen uit een gezin dat niet genoeg te eten heeft, worden naar het bos gestuurd.
 
Soms is er ook behoefte aan avontuur, zoals bij Klein Duimpje:
“Vader, ik moet en zal de wereld in!”
 
De situatie kan ook veranderen door de wens een partner te vinden.
Zoals de prins van Assepoester alle meisjes van het land uitnodigt,
om een bruid uit te zoeken.
 
4. Slechte krachten proberen de held of heldin tegen te werken.
Deze slechte krachten kunnen mensen zijn, maar ook heksen, reuzen, geesten, een tovenaar, of een lelijke stiefmoeder.
 
Zoals de lelijke waard in het sprookje: Tafeltje Dek je, Ezeltje
Strek je, Knuppel uit de Zak,
de reus uit Klein Duimpje,
de heks met haar spinnewiel in Doornroosje.
 
5. Goede krachten schieten te hulp.
Gelukkig zijn er goede krachten die kunnen helpen:
een jager die te hulp schiet, een prins die Doornroosje wakker kust,
een lieve petemoei die kan toveren, knuppels uit de zak die de aanvaller overmeesteren….
 
6. De held leert en wordt gelukkig.
Met behulp van de goede krachten overwint de held.
Maar hij of zij heeft ondertussen wel zijn lesje geleerd:
ga niet van het pad af, als je moeder je het verbiedt!
Luister naar de raad van anderen!
Wees niet ijdel of verwaand!
Pas op voor de hebzucht!
 
7. De held wordt beloond!
De beloning voor de held kan wijsheid, rijkdom of
macht zijn. Of alle drie tegelijk.
De kinderen vinden hun ouders weer terug en leven voortaan in vrede,
zonder honger.
 
Maar het sprookje heeft pas echt een ‘happy end’
als de knappe en rijke prins of prinses wordt veroverd.
En ze leefden nog lang en gelukkig…

Deel je jouw sprookje met me? Dan plaatst ik het onder dit bericht!

Met dank aan het eftelingkernteam (http://eftelingkernteam.jouwweb.nl/opdracht-2/opdracht-2-de-zeven-regels-van-het-europese-sprookje)